Rivierpolitie.

 

Het hart van de Rotterdamse havens werd gevormd door de Boompjes met daarachter de oudere havens, die waren gegraven in de 16e en 17e eeuw. Na die ‘Gouden Eeuw’ was er een stagnatie opgetreden, waardoor de Rotterdamse haven niet meer groeide. Rond 1850 bloeide de bedrijvigheid in de Rotterdamse havens weer op. Deze was zo groot dat er onvoldoende plaats was voor opslag van goederen. De schepen konden slechts met moeite een aanlegplaats vinden. Hierdoor werden eind 19e eeuw diverse nieuwe havens gegraven en een spoorbrug aangelegd. Het sluisvrije kanaal met een rechtstreekse verbinding met zee, de Nieuwe Waterweg, werd voltooid.

 

Door al deze uitbreidingen kwam ook de criminaliteit tot bloei. In de jaren tachtig van de 19e eeuw begonnen de Rotterdamse ondernemers te klagen over de diefstallen vanaf de kades en uit scheepsladingen. Herhaaldelijk vroegen zij het College van Burgemeester en Wethouders het politietoezicht op de schepen en vanaf de kades uit te breiden.  Het gemeentebestuur was van mening dat dit toezicht door de ondernemers zelf bekostigd moest worden.

Hernieuwde onderzoeken werden telkens door de gemeente afgewezen. De Rotterdamse ondernemers bleven aandringen en uiteindelijk via de Kamer van Koophandel, bracht het gemeentebestuur in mei 1888 een stoomboot, genaamd Havendienst, in de vaart, waarmee ’s nachts zou worden gesurveilleerd. De boot werd bemand door twee politieagenten van het Hoofdbureau.

 

De ondernemers waren even tevreden gesteld. Maar al snel bleek dat de diefstallen uit schepen en van de kaden bleven toenemen. Er speelde ook nog andere problemen die het directe gevolg waren van de havenuitbreiding.

–       De ‘havenprostitutie';  vaak werden minderjarige meisjes aan boord van de schepen gebracht.

–       Overmatig alcoholgebruik; hierdoor kwamen veel ongevallen in de haven voor.

–       Het grote aantal passagiersschepen wat in de loop der jaren was toegenomen: hierdoor was de

         controle van in- en uitkomende passagiers bijna onmogelijk.

–       De eerste havenstaking in 1889; was niet beheersbaar.

Het bootje met de twee politieagenten konden tegen deze misstanden weinig uitrichten. Het ontbrak aan gespecialiseerd politietoezicht.

 

In 1893 trad Willem Voormolen als nieuwe hoofdcommissaris aan.

Hij was een groot voorstander van een eigen rivierpolitie, waarbij de leiding zou moeten berusten bij een ‘ontwikkeld inspecteur’.

Op 11 juli 1895 ging de gemeenteraad akkoord met de voorstellen van Voormolen.

 

Rivierpolitie

Zonder feestelijkheden begon de Rotterdamse Rivierpolitie op 1 augustus 1895 haar werkzaamheden. Een eigen gebouw hadden ze toen nog niet, zodat er vanuit een pand van de Havendienst gelegen aan de Leuvehaven, dienst gedaan moest worden.

Het personeel bestond uit een inspecteur, een onderinspecteur, een hoofdagent, een agentmajoor en acht agenten. (slechts vier van hen hadden nautische ervaring).  De uitmonstering verschilde met de ‘gewone’ straatagent. Meest opvallend was een pet in plaats van de metalen helm.

In het begin deed men haar werk zonder varend materiaal. De agenten surveilleerden te voet of per rijwiel. Ze controleerden langs de kaden en over haventerreinen de binnenkomende en uitgaande schepen.

In 1897 werd een roeiboot aangeschaft. Helaas was de komst van de politie met deze boot al lang van te voren hoorbaar. Een effectieve surveillance was zo goed als onmogelijk. In 1898 kreeg men van de gemeenteraad toestemming een geruisloos elektrisch politievaartuig aan te schaffen.

Een studiereis bij de politie in Hamburg, waarbij werd meegevaren op de Elbe, zou doorslaggevend geweest zijn voor de keuze van de eerste Rotterdamse elektrische politieboot. Hij kreeg de naam POLITIE I en omdat hij zo geruisloos was de bijnaam Sluipmoordenaar. Op 22 juli 1899 werd hij in de vaart genomen. Omdat er toch veel nadelen zaten op de electromotor (de accu’s konden het bijvoorbeeld tijdens een achtervolging opeens opgeven) werd in 1914 de electromotor vervangen door een dieselmotor. De politie I heeft dienst gedaan tot 1927. 

 

In 1909 verhuisde het politiebureau naar de Veerkade in het gebouw van het Maritiem museum, het huidige Wereldmuseum. Twee jaar later, op 6 november 1911, kreeg men als eigen onderkomen, een drijvend bureau dat in de parkhaven lag. Dit is het huidige kantoor van de Havenmeester wat nu in de Veerhaven ligt.

 

In de Tweede Wereldoorlog werd de Rivierpolitie overgenomen door de bezetter.

 

Het bureau Rivierpolitie aan de Sint Jobsweg, werd in 1933 in gebruik genomen en in 1994 uitgebreid met hoogbouw. In 1950 werden de eerst nieuwe politieboten Politie I en II in opdracht gebouwd. In de jaren daarna werden de schepen steeds meer aangepast aan betere gebruiksmogelijkheden.

 

Bovenstaande is een klein deel van het ontstaan van de Rotterdamse Rivierpolitie.