Meldkamer.

 

Door het groter worden van het grondgebied van Rotterdam werd het effect van de klapwacht minder. Bovendien werd de politiestructuur zodanig veranderd dat het gehele toezicht op openbare orde en veiligheid aan de politie werd toegewezen.

De bereikbaarheid van de agent op straat werd steeds belangrijker. Er kwamen meldpunten waar de agent op straat zich op bepaalde tijden moest ophouden, doch in de tijden daartussen kon er, daar waar hij nodig was, geen beroep op hem worden gedaan.

De telefoon deed zijn intrede, doch dat ging via een kabel en men kon niet iedere agent aan een kabel verbinden. Bovendien waren alleen grote bedrijven en gefortuneerde burgers aangesloten op het telefoonnet.

Er werden in 1936 zogenaamde alarmmelders geplaatst. Deze stonden op verschillende plaatsen in de stad. Het waren ronde zuilen met een afgesloten deurtje. Met een posthuissleutel, die elke agent had en die behalve op de zuilen ook op de de deuren van de bureaus pasten, kon het deurtje worden geopend. In de zuil hing een telemicrofoon, die rechtstreeks was aangesloten op de telefoonkamer van het Centraal bureau (C.B.) aan het Haagseveer. Bovenop de zuil was een lamp aangebracht die vanuit de telefoonkamer in het C.B. kon worden ingeschakeld. Iedere agent was verplicht zich bij de paal te melden als hij de lamp zag branden.

Bij grootschalige gebeurtenissen, zoals voetbalwedstrijden in het in 1937 in gebruik genomen stadion Feyenoord, werd gebruik gemaakt van het nabij gelegen kantoor en de kantine van houthandel de Lucht. Via de telefoonlijn en ordonnansen werd alles vanaf die locatie geregeld en werd de centrale leiding op de hoogte gehouden.

Tijdens de Duitse bezetting zijn de alarmmelders verdwenen. Bij de Historische Collectie staat de enig overgebleven alarmmelder.

In 1946 werden twee nieuwe personenauto’s van het merk Ford aangeschaft. Deze werden uitgerust met een mobilofoon en er werd een Meldkamer in het C.B. ingericht. De mobilofoons waren uit de legerdump samengesteld en namen de gehele kofferbodem van de auto’s in beslag. Zij kregen de roepnaam RT 1 en RT 2.

In 1949 werden nog twee auto’s aangeschaft, die de roepnaam RT 3 en RT 4 kregen. In 1948 werd er ook een houten mobiel posthuis aangeschaft, waaruit ook mobilofoonverkeer met de meldkamer mogelijk was. Deze werd achter een Jeep naar de plaats van bestemming gebracht.

In 1951, werd de radio surveillance brigade (R.S.B.) opgericht. Deze dienst beschikte over zeven auto’s van het merk Willy’s Overland. Zij kregen de roepnummers RT 5 t/m RT 11. De RT auto’s werden bemand door personeel van de verkeerspolitie, omdat die een rijbewijs hadden.

In 1955, werden de Willy’s vervangen door Ford F 100. Hiervoor waren meer chauffeurs nodig. Deze werden, als ze een rijbewijs hadden, uit de afdelingen van de stad gerekruteerd.

De behoefte om meer RTauto’s op straat te hebben leidde tot het feit dat de surveillance auto’s aan de afdelingen werden geplaatst en werden bemand door de agenten van de afdelingen.

Zij werden genummerd met RT en het nummer van de afdeling waar ze thuis hoorden, met daarachter 01 ( de RT101 was de eerste auto van de eerste afdeling). Waren er meer surveillance auto’s aan de afdeling, dan kregen die het nummer 2 of 3 of verder.  Andere diensten kregen afwijkende roepnummer die allen met RT begonnen

Hierdoor werd de meldkamer aan het C.B in de loop der jaren steeds groter. Van hieruit werden alle RT auto’s aangestuurd.

De meldingen aan de RT auto’s werden gegeven als ware ze door de Hoofdcommissaris gegeven. De telefoonkamer bleef aan de meldkamer verbonden. Hierdoor ontstond er een controleerbaar netwerk van auto’s via de mobilofoon en kwam de coördinatie bij calamiteiten het meest tot zijn recht. Later kwamen daarbij de portofoons van de agenten op straat en ontstond er een Verbindingscentrum.

Bij de bouw van het bureau Boezembocht in 1985, werd de meldkamer daar geplaatst.  In 2006 werd overgegaan naar een nieuw verbindingssysteem C 2000 genaamd. Hierbij komen de gesprekken gedigitaliseerd binnen.

In 1950 had de Rotterdamse politie het alarmnummer 22222 wat werd opgevolgd door het alarmnummer 94 wat in 1979 werd gewijzigd in 010-141414. Toen de toenmalige PTT landelijk overging naar een 10 cijferig telefoonnummer werd dit in 1986 gewijzigd in 010-4141414. In 1990 werd het eerste landelijk alarmnummer 06-11 ingevoerd. In 1997 werd dit veranderd in het huidige 112.

In 2005 vond de verhuizing naar de Wilhelminakade plaats. Daar vormt de politie samen met de Brandweer en de C.P.A.  de gemeenschappelijke meldkamer van de Veiligheidsregio Rotterdam.

Dag- en nacht is de meldkamer bereikbaar voor het publiek om directe noodhulp, of ander hulp, te kunnen bieden.