Hondenbrigade.

 

Omstreeks 1910 werd het gebruik van honden bij de politie noodzakelijk geacht. Vooral bij het speurwerk naar verdachten of naar voorwerpen met de geur van een verdachte werd een hond ingezet.

 

Aanvankelijk was de Minister niet blij met het gebruik van de honden en drong aan op het certificeren van de hond en zijn geleider. Hiervoor moesten regelmatig testen worden afgelegd.

Buiten diensttijd verbleven de honden meestal bij hun geleider thuis.

In 1943 werd de hondenbrigade gevestigd op het Eiland van Brienenoord. Het was vanwege zijn geïsoleerde ligging bij uitstek geschikt voor de trainingen.

 

Eén van de bekendste honden was Presto. Hij deed tien jaar zijn plicht. Toen bleek dat hij ongeneeslijk ziek was en niet meer beter werd, was dit een groot verlies voor zijn geleider.

Na 1960 kreeg de gemeente, vanwege het natuurlijk karakter van het eiland, belangstelling voor deze locatie. Daarnaast hadden de recreanten en de hondengeleiders afwijkende belangen. Uiteindelijk verhuisde in 1989 de hondenbrigade naar de Stoopweg en vormde daar samen met de bereden brigade de levende have.

 

In de loop der jaren ontstond er meer behoefte aan gespecialiseerde honden zoals voor het aanhouden van verdachten en om op te treden bij ongeregeldheden (de surveillance honden).

In de dag- en nachtdiensten was steeds een geleider met zijn hond beschikbaar. De bekendste combinatie voertuig/hond, was de ‘Blaf-Daf’.

 

Om via sporen bij een verdachte te komen werd bij de Rotterdamse hondenbrigade het systeem met de geurdoekjes ontwikkeld. De geur werd met een speciale steriele doek van de verdachte afgenomen en de speurhond selecteerde de geur naar de verdachte of diens goederen.

Tevens werd en wordt de speurhond ingezet voor het zoeken naar munitie, vuurwapens of andere voorwerpen die bij een misdrijf gebruikt zijn of het opsporen van verdovende middelen.