Van Hellebaardiers tot Mobiele Eenheid.

 

Daar waar een samenleving ontstaat, is er behoefte aan regels ten behoeve van die samenleving. Ook het handhaven van de veiligheid en de openbare orde zorgen ervoor dat die samenleving kan functioneren. Sinds 1340 heeft Rotterdam Stadsrechten. Bij het verkrijgen van die rechten werd een schout en zijn schepenen aangesteld om die regels te handhaven en het toezicht daarop te houden.

Onder het opperbevel van de schout, werden hellebaardiers aangesteld. Zij hadden zowel een politionele dan wel een justitionele taak . Het opsporen van strafbare feiten en het uitvoeren van het strafrecht.

Ook werd toegezien op de logementen, vreemdelingen, zwervers en bedelaars in de stad. De zwervers en bedelaars werden aan de stadspoorten geweerd en moesten in ieder geval dat stad verlaten voor het luiden van de boomklok. Het luiden van die klok hield in dat de waterwegen door middel van een boom werden afgesloten en de hellebaardiers bij de stadspoorten niemand meer in- of uit lieten. Was dat wel noodzakelijk dan moest men een poortpremie betalen.

De hellebaardiers waren in uniform gekleed en voorzien van een hellebaard, vandaar de naam, of een pieck en musquet. Later werd de musquet vervangen door een snaphaan, een moderner geweer.

Naast de hellebaardiers waren ‘s nachts ook de zogenaamde klapwachten aanwezig die om de zes roeden, met hun klap, dit was een houten plankje met een beweegbare houten hamer, een signaal van hun aanwezigheid moesten geven.

 

Bij het grote Costerman oproer, in 1690, in de stad, werd de noodzakelijkheid van de hellebaardiers en de schutterij bewezen. Het oproer was zo groot dat uit Den Haag een afdeling ruiterij ter assistentie werd gevraagd. Van optreden door hen kwam het niet.

Volgens een wet van 11 april 1827, gebaseerd op de Grondwet was er in plaatsen met een inwoneraantal, groter dan 2500, ook een schutterij aanwezig, die bij oproer of gevaar van de vijand eveneens weerstand kon bieden. Zij waren militair georganiseerd.

 

Bij de reorganisatie van de politie in 1811 werden de hellebaardiers ingelijfd bij de stedelijke politie.

Daarna ontstond door de roerige politiek een rustig klimaat onder de bevolking van de stad.

 

In 1932 heerste er een crisis waarbij de gevolgen van werkeloosheid zich openbaarde in rellen en opstootjes. Deze werden in de hand gehouden door het optreden van de bereden brigade.

Bij het voortschrijden van de techniek werden ten behoeven van het voerwezen en de motorbrigade motoren met zijspan en later auto’s aangeschaft. Stap voor stap namen die de inzet van paarden over. Het verhaal dat bij rellen in de binnenstad de trappen van de passage afreden, blijkt technisch niet mogelijk te zijn geweest. Dat was jaren later bij de voetbalrellen weer voorbehouden voor de bereden brigade die de trappen van het Stadionviaduct met hun paarden opgingen.

 

Bij de rellen in Crooswijk in juli 1934, barricadeerden de bevolking de straten met huisraad en karren. De straatverlichting werd onklaar gemaakt waardoor alles bij nacht in het duister was gehuld. Bij het bestrijden van de rellen met de Renault auto’s, werden ze vanaf de daken bestookt met stenen en andere voorwerpen.  Hiertoe werden de auto’s voorzien van zoeklichten.

 

In 1935 werd er een karabijn brigade opgericht om efficiënter op te kunnen treden bij rellen en ongeregeldheden. Het personeel viel onder het voerwezen en motorbrigade. Ze maakten gebruik van motorvoertuigen en waren uitgerust met gasmaskers, legerhelmen en karabijnen.

Ook konden ze beschikken over twee gepantserde automobielen de P 1 en de P 2. Zij waren eigendom van de Gemeentelijke Burgerwacht, doch werden in voorkomende gevallen door de politie gebruikt.

 

Tijdens de Duitse bezetting in 1940 werd de organisatie door de bezetter in een andere vorm gegoten.

Na de bevrijding van de Duitse bezetting in 1945 werd het publiekelijk belang gedomineerd door de opbouw en het herstel van de economie. Men kreeg het steeds beter, motor, auto, koekast, wasmachine, radio, t.v. ect.

In 1960 liet de opkomende generatie zich gelden door het zich afzetten tegen het ouderlijk gezag en de overheid. Men streefde vrijheid en zelfbeschikking over het recht na. In andere steden deed zich dat voor in de vorm van krakersacties ten behoeve van het bewonen van leegstaande gebouwen en panden.

Hiertoe werd de noodzakelijkheid van het oprichten van een Mobiele Eenheid bij de politie noodzakelijk. Uit de gelederen van de executieve politiemensen werden groepen geformeerd die speciaal werden getraind en belast met het optreden bij grote ongeregeldheden. Zij zijn snel oproepbaar en in te zetten.

Aanvankelijk gekleed in hun dagelijks tenue, voorzien van een legerhelm, hun standaard uitrusting aangevuld met een lange wapenstok. Er werd opgetreden met motorfietsen met zijspan, paarden en te voet. Bij noodzaak werden karabijnen en traangas gebruikt.

Daar de weerstand van de groeperingen steeds groter en gewelddadiger vormen aannam werd speciale kleding en helmen met een vizier en een betere bescherming tegen stenen, brand bommen, en verf verstrekt. Ook werd het rieten schild ingevoerd met een brandwerende hoes.

 

Toen ook het voetbalpubliek zich gewelddadig weerde bij verlies of overwinning werd het noodzakelijk de uitrusting aan te passen met body protectie, aanvankelijk afkomstig uit de ijshockey wereld, later speciaal ontwikkelde bescherming voor zowel man, paard en voertuigen. Er werden waterwerpers aangeschaft, die de relschoppers op een redelijke manier uiteen konden drijven.

Nu bestaat de M.E. uit executief politiepersoneel, met specialisten voor bijzondere taken, aangevuld met personeel  van de bereden- en hondenbrigade, ter bescherming van goed en orde in het belang van de samenleving.