Van korps naar Eenheid.

 

Sinds 1340 verkreeg Rotterdam per Privilege, Stadsrechten.

In dit privilege werd gesteld dat een Baljuw of Schout en de Schepenen de dragers van de overheidstaken waren.

Het begon met zogenaamde Hellebaardiers die in de omgeving van de Burgemeester ten stadhuizen zorgden voor de handhaving van de orde. Zij verrichten behoorlijk gewapend ook dienst aan de stadspoorten. De Schout en de Schepenen maakten keuren om over straten en stegen, heulen, op- en afritten van bruggen, maten en gewichten, vuur en licht, politierecht uit te oefenen. Zij berechtten ook handelsgeschillen en hadden het toezicht op vreemdelingen.

Tussen het luiden van de avond- en de morgen poortklok werden de standpoorten gesloten. Niemand mocht er nog in of uit. Zeker op vagebonden en bedelaars werd toegezien dat ze de poorten niet binnen kwamen.

Er was geen scheiding tussen de wetgevende macht, Politie en Justitie.

De Schout was niet bezoldigd, doch hield een gedeelte van de opgelegde boetes. Hij werd voor de tijd van 5 jaar benoemd door de Graaf.

In 1645 werd besloten dat de Schout, vanwege een eerlijkere boeteoplegging, jaarlijks  300 gulden zou ontvangen. Hij kreeg 18 gulden voor een mantel en een vergoeding voor de tijd dat hij bemoeienis had met zijn Schepenen. Ook bleef zijn aandeel van de opgelegde boetes en werden de kosten voor berechting vergoed.

Er werden een aantal Dienaars van Justitie aangesteld, mogelijk tussen de  8 en 16 stuks.

In daaropvolgende jaren werden verschillende vormen van een politieapparaat in het leven geroepen.

De openbare orde werd ’s nachts verzorgd door zogenaamde nacht- of klapwakers. Zij ontvingen hiervoor 5 stuivers per nacht, moesten tenminste drie jaar als burger binnen de stad gewoond hebben en tussen de 25 en 45 jaar oud zijn.

Zij vormden een Gilde en moesten zich voor 6 gulden inkopen in het Gilde.

De klapwakers surveilleerden in een aangewezen wijk gewapend met een piek (een dunne stok met aan het uiteinde een metalen punt). Ze waren voorzien van een klap. Dit was een plank met een beweegbaar deel dat door op- en neer te bewegen een klappend geluid gaf. Er moest om de 6 roeden een klap gegeven worden, teneinde hun aanwezigheid te doen opmerken. Bij onraad diende er een ongewoon geluid gemaakt te worden. Oproer of samenscholingen moesten onmiddellijk aan de Officier en de Burgemeester ter kennis worden gebracht.

Ook de torenwachter was een ambtenaar, die vanaf zijn hoge standplaats het overzicht over de stad had. Hierdoor kon hij snel een brand ontdekken.

Hij luidde dan de brandklok en werden aan de toren twee lantaarns gehangen om aan te geven in welke richting de brand was. Zijn bezoldiging was 300 gulden per jaar.

Naast deze ordehandhavers was ook nog een zogenaamde Schutterij die uit burgers gerekruteerd kon worden.

Onder het bewind van de Stadhouders waren er verschillende politieke conflicten, waarbij het gezag betrokken raakte. Ook in het conflict tussen de Oranje gezindten en de Patriotten werd de overheid betrokken waardoor de Hellebaardiers bij de politie werden ingelijfd.

In 1795 bezette het Franse leger de Nederlanden en werd de politie naar Frans voorbeeld gereorganiseerd. Hoewel het een belangrijke verbetering betekende, was het niet in overeenstemming met het Nederlandse volkskarakter.

De betiteling van de functies veranderde. In 1811 werden de Schout en dienaren vervangen door commissarissen en agenten van politie.

Op 19 november 1813 verlieten de Franse troepen de stad.

Nadat de Prins van Oranje op 30 november 1813 vanuit Engeland in Scheveningen was geland, kwam er op politiek gebied een nieuwe omwenteling, dat geënt was op de Franse veranderingen. Op 21 februari 1823 werden reglementen opgesteld, waarnaar agenten der stad Rotterdam zich hadden te gedragen. Er waren 16 agenten van politie en twee commissarissen. Zij moesten dag- en nacht beschikbaar zijn. De bewaking bij nacht was nog steeds grotendeels opgedragen aan de nachtwacht.

Na 1822 bestond een korps uit en Directeur van Politie. Onder hem stonden 2 hoofdinspecteurs, 3 inspecteurs 1e klasse, 6 inspecteurs 2e klasse, 20 agenten 1e klasse, 30 agenten 2e klasse, 198 agenten 3e klasse en 30 agenten 3e klasse om in te vallen bij ziekte van de agenten 3e klasse. Er was ook een chirurgyn in dienst, voor directe hulpverlening.

Bovendien waren er beambten, danwel deskundigen voor speciale diensten bij de politie aangesteld.

Na de Grondwetherziening in 1848 werd de Gemeentepolitie geregeld.

Bij Koninklijk Besluit werd op 11 november 1856 de Rijksveldwacht ingesteld zodat naast het bestaande Korps Marechaussee, een burgerlijk Rijkspolitie korps bestond voor plaatsen waar geen gemeentepolitie was.

De nieuwe inrichting vormde de basis waarop kon worden voortgebouwd (zie hiervoor: ‘Geschiedenis der Rotterdamse politie’ uitgave Historische Collectie).

In 1911 werd in het Rotterdamse korps de eerste vrouw aangesteld, als maatschappelijk werkster met als specialiteit Armenzorg.

In 1940 werd Nederland wederom bezet, nu door Duitse troepen. Weer volgde een reorganisatie naar Duits voorbeeld. Nu werd niet alleen het handhaven van de wetten gesteld, doch ook het verwijderen van andere rassen en geaardheid.

Dit heeft verregaande gevolgen in de beleving van het korps ten gevolge gehad. (Zie hiervoor het boek:

‘Handhaven onder de nieuwe orde’ van Frank van Riet).

Na de bevrijding in 1945 vond er binnen de politie een zuivering plaats, en werd de taak van de politie naar Nederlandse normen hervat. Binnen de grotere gemeenten werd de gemeentepolitie verantwoordelijk voor handhaving van de openbare orde en in alle overige plaatsen kwam Rijkspolitie.

 

In 1951 werden de eerste vrouwelijke politieagenten in Rotterdam aangesteld. Aanvankelijk moest de organisatie wennen aan dit fenomeen en werden ze met restricties aangesteld. Ze moesten altijd vergezeld worden door een mannelijke collega. Zo mochten ze geen nachtdienst doen en hadden geen dienstwapen. Schoorvoetend kwamen zij in aanmerking voor speciale takken van dienst. Het mocht slechts alleen bij de meldkamer (heldere stem) en bij de Jeugd- en Zeden politie omdat ze beter met kinderen konden omgaan. Jaren later mochten ze eerst bij de bereden brigade en later bij de verkeerspolitie toetreden (zie het boek: ’40 jaar vrouwen bij de politie 1953-1993′).

 

In 1993 vond er een reorganisatie plaats waarbij de Rijks- en gemeentepolitie verdween en het land werd verdeeld in 25 regio’s. De benaming werd Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. 

 

Op 1 januari 2013 vond wederom een reorganisatie plaats waarbij één Nationale Politie werd ingesteld. Hierbij werden de regio’s  Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Holland Zuid samengevoegd. De benaming werd Politie Eenheid Rotterdam.

De Eenheid omvat nu in totaal meer dan 5000 mannen en vrouwen.

                      

        Hellebaardier                           Klapwacht                                 1868                                          1966